Environmental Legal Services                                                                                                    
 

Brussels

Rechts-Ontwikkeling-vanaf lagere rechtspraak tot aan HR

Rechtspersoon als verdachte - hetgeen regelmatig voorkomt in milieu-strafzaken.

Echter is de richting van de beweging naar de vervolging van de natuurlijke persoon (feitelijk leidinggevenden) vanuit het OM gericht.

Dit vanuit de filosofie dat de preventieve werking vanuit dit startpunt eerder effect sorteert.



OM aast op 12,5 miljoen euro winst van Aluchemie

Justitie wil chemiebedrijf Aluchemie voor 12,5 miljoen euro plukken. Doordat het bedrijf meer giftige stoffen uitstootte dan toegestaan, kon het volgens justitie ook meer winst maken. Die winst wil het OM nu via de rechter terugvorderen.



Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. De rechtbank komt weliswaar tot de conclusie dat gedragingen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en – in mindere mate – [medeverdachte 3] strafbare feiten opleveren, maar [verdachte] kan niet als (mede)dader van die strafbare feiten worden aangemerkt. Daarvoor is het volgende van belang.

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de strafbare gedragingen van [medeverdachte 1] aan [verdachte] kunnen worden toegerekend. Die vraag ziet op de verhoudingen tussen [verdachte] als rechtspersoon, [medeverdachte 1] als natuurlijk persoon en [medeverdachte 1] als feitelijk leidinggever van de rechtspersoon [verdachte] .


Uit de rechtspraak van de Hoge Raad5 leidt de rechtbank af dat het in ieder geval niet zo is dat [verdachte] de tenlastegelegde feiten samen pleegt met [medeverdachte 1] , als de betrokkenheid van [verdachte] alleen is gebaseerd op het toerekenen van de gedragingen van [medeverdachte 1] aan [verdachte] . Als [verdachte] zelf als dader kan worden aangemerkt, is een vervolgvraag of [medeverdachte 1] daarvoor als feitelijk leidinggever van [verdachte] strafrechtelijk verantwoordelijk gehouden kan worden, maar dat is voor de strafzaak tegen [verdachte] niet relevant.

Een rechtspersoon kan als dader worden aangemerkt, als de verweten gedraging in redelijkheid aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Als de gedraging in de sfeer van de rechtspersoon is verricht, is daarvan in beginsel sprake.6 In deze zaak is duidelijk dat de gedragingen zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon. De gedragingen hebben immers betrekking op de kerntaak van [verdachte] (het aan de man brengen van financiële producten), [verdachte] had er financieel voordeel van en de gedragingen zijn onder andere verricht door [medeverdachte 1] , één van de directeuren van [verdachte] .


Toch komt de rechtbank niet tot de conclusie dat de gedragingen van [medeverdachte 1] in redelijkheid aan [verdachte] kunnen worden toegerekend. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang.


De rechtbank heeft het dossier zo beoordeeld dat in het begin van de ten laste gelegde periode geen sprake was van strafbare feiten, maar dat dit beeld vanaf begin 2009 begint te kantelen. In het bijzonder gebeurt dit op 1 februari 2009, als [medeverdachte 3] de zogenaamde [naam 5] -mail verstuurt aan [naam 6] (D-0895). Die e-mail is ge-cc-d naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . In deze mail wordt gebruik gemaakt van privé-e-mailadressen en [medeverdachte 3] verzoekt [naam 6] uitdrukkelijk om geen gebruik te maken van de zakelijke e-mailadressen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Daarmee wordt de strafrechtelijk relevante communicatie afgeschermd van [verdachte] . De andere betrokkenen die van de strafbare gedragingen op de hoogte zijn, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , staan bovendien niet in enige formele betrekking tot [verdachte] . Relevante personen binnen [verdachte] (bijvoorbeeld mededirecteur [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] of [naam 10] ) worden ten slotte bewust onwetend gehouden van de strafbare gedragingen. Het lijkt er dan ook op dat [medeverdachte 1] een eigen onderneming binnen de onderneming [verdachte] runde.


De rechtbank vindt het gelet op deze omstandigheden niet redelijk om de strafrechtelijk relevante gedragingen van [medeverdachte 1] aan [verdachte] toe te rekenen. In plaats daarvan dienen die gedragingen aan [medeverdachte 1] als natuurlijk persoon te worden toegerekend.

Ten aanzien van de vraag, of de gedragingen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aan [verdachte] kunnen worden toegerekend, is tot slot nog het volgende van belang. De gedragingen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] staan al in een verder verwijderd verband van [verdachte] dan bij [medeverdachte 1] het geval is en ook zij schermen de strafrechtelijk relevante gedragingen af van [verdachte] . De gedragingen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kunnen dus ook niet in redelijkheid aan [verdachte] worden toegerekend.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat [verdachte] niet strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de ten laste gelegde strafbare feiten.